Voorzieningenrechter Rotterdam 24 maart 2009 (stopkindersex), LJN BH7630 en BH7631

Op diverse internetsites, waaronder de site www.stopkindersex.com, wordt eiser onder andere genoemd als iemand die interesse toont aan pedoseksuelen, dat hij een “pedolover” is, dat hij strafbaar handelt, dat hij innig contact heeft met een veroordeelde pedoseksueel, dat hij mede verantwoordelijk is voor het seksueel misbruik van vijf kinderen, dat hij een politieonderzoek naar een voor pedofilie veroordeelde heeft gesaboteerd, dat hij de praktijken van deze veroordeelde steunt en dat hij zich graag inlaat met jonge prostituees. Ook zijn persoonsgegevens en een foto van eiser op internet geplaatst.
De voorzieningenrechter stelt bij zijn beoordeling voorop dat op grond van het bepaalde in de Wbp het publiceren op internet door burgers van persoonlijke gegevens (al dan niet met foto) en het lichtvaardig verdacht maken van medeburgers, onrechtmatig is jegens degene zonder wiens toestemming dit gebeurt of wanneer er geen aantoonbare noodzaak is voor publicatie.
Bij de beoordeling van het begrip “verantwoordelijke” in de zin van de Wbp is niet alleen de formele juridische bevoegdheid van belang. Vooral waar onduidelijkheid bestaat over wie formeel juridisch bevoegd is ten aanzien van een internetsite, is ook een functionele benadering op zijn plaats. Aan de hand van de algemeen geldende normen moet worden bezien aan wie de plaatsing moet worden toegerekend.
Hoewel gedaagde over de website www.stopkindersex.com heeft verklaard dat zij deze op 16 maart 2008 voor een symbolisch bedrag van € 1,- heeft verkocht en de website sindsdien niet meer van haar is, is naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter voldoende aan-nemelijk dat het nog steeds in de macht van gedaagde ligt gegevens op deze site te plaatsen en/of te verwijderen.
Gebleken is dat het op internet vermelden van persoonsgegevens van personen die verdacht worden gemaakt van strafrechtelijk handelen, eigenrichting in de hand werkt en dat dit ernstige gevolgen heeft respectievelijk kan hebben voor deze personen. Het bevorderen van eigenrichting verdient in rechte geen steun. Die omstandigheden maken dat het recht op vrijheid van meningsuiting in casu niet prevaleert boven het recht op een persoonlijke levenssfeer.